Hoge Venen
Zondag gingen we wandelen in de Hoge Venen. Bij aankomst was er wel even paniek; de rode vlag hing uit. We mochten het gebied niet in wegens brandgevaar. Onze vooropgestelde tocht viel dus in het water maar gelukkig konden we een andere route doen. Het weer was verbluffend goed: een combinatie van de ijzige kou en een stralende zon op onze, met mutsen bedekte, hoofden. Gelukkig dat het gevroren had want het merendeel van de paden zou maar een drassige bedoening geweest zijn. Maar nu kraakte alles onder ons gewicht; een geluid dat, in combinatie met de doodse stilte en het geknars van onze voetstappen op de knuppelpaden, mij bijzonder smaakte.
Hoewel de tocht niet zo lang was, een 16-tal km, toch werden we geconfronteerd met heel diverse landschappen: eenzame bomen de zure grond trotserend, dorre graslandschappen met hier een daar een den, knuppelpaden en bevroren modderpaden, slingerende riviertjes waar het water zich een weg baant door de ijsbloemen. Het laatste deel was toch het meest verassende: een mijnlenver eenzaam, uitgestrekt veenlandschap met dode bomen dat eerder deed denken aan de savanne dan aan iets van Belgische afkomst. Behalve het overwoekerend gras, geen teken van leven in zicht. Omgevallen bomen die we associeerden met door wilde dieren afgekauwde karkassen.
Onder de indruk van dit schouwspel en van onze (alé, mijn) slechte conditie dat we ‘wintervet’ heetten, beloofde we elkaar dat we elke maand ‘iets’ zouden doen. Een uitstap, een wandeling, een belevenis waarbij we onze lichamen zullen blootstellen aan arbeid. Maart is ok, juni eveneens, nu nog iets vinden voor mei, juli en augustus.








